Xc1. Jacob Ploos van Amstel (1735-1784)

Archief Ploos van Amstel

Ach! Mogt ik nog uwe achting winnen!

Het kleurrijke leven van Jacob Ploos van Amstel (1735-1784)

Hans Kristian Ploos van Amstel (Gouda, 2010)

 

In de brieven aan zijn Friese vriend Julius Matthijs van Beyma geeft Jacob Ploos van Amstel een beeld van zichzelf en van zijn kijk op de wereld. Zelfbewust, met gevoel voor theater, humoristisch, grotesk, kleurrijk, exclusief. Zoals in deze brief uit juni 1761

 

‘ Na woensdagmorgen van Harlingen vertrokken te zijn ben ik hier Donderdagmiddag om half vier uuren aangekomen, hebbende mij gediverteerd onderweg met mijne illustre reisgenooten, bestaande uit een Smous, een Sergeant, een Soldaat, en nog eenige van laager kaliber. De Bruinvissen, of Drommedarissen gaven mij geen onvermaakelijk uitzicht, ja ik was half geresolveert op een van die dieren te gaan zitten om zo naar Amsterdam te zwemmen, want zij gingen sneller voort als ons schip. Hoe raar zouden zij dan gehad weezende te hebben opgekeeken, zo deeze nieuwe Amphion in die gestalte daar was komende aan te drijven geweest, ik denk zekerlijk, dat ik dan nieuwe muuren had gemaakt. Andere zouden mij mogelijk voor Venus op haar schulp aangezien hebben: doch hiervan nader. Ik vrees, dat deeze brief groot zal worden en daarom verzoek ik, dat UE die maar om den anderen regel gelieft te leezen, dan gaat ‘er de helft van den tijd naar toe. Mijn eerste heldenstuk, dat ik in Amsterdam bedreeven heb, is het slaan van een jongen, die mij met een steen tegen ’t oog gooide, schoon ik van de bijstaanders nog ongelijk kreeg en uitgejouwd wierd. Wie drommel zou zo doende ooit lauwren in ’t veld van Mars willen behaalen.’

 

Een klap op de schouder op een ander moment pakte ook verkeerd uit zoals hij toevoegt in het Post Scriptum bij dezelfde brief

 

‘ Door den slag, die de Heer Schultz mij op den linkerschouder gegeeven heeft en door het ongemak, dat ik reets had, is 'er een absces geformeert, ’t geen van langen duur kan zijn, en mij groote pijn veroorzaakt in ’t aantrekken van mijn rok en in het te bed gaan. Ik hoop dat die Heer zulke aartigheeden, mijns bedunkens met zo weinig geest verzeld, zal nalaaten.’

 

Het is of Jacob even fantastisch in het leven staat als in zijn gedachten. Het leven als theater beschouwend, lijkt hij weggelopen te zijn uit de schilderijen van zijn schoonvader Cornelis Troost. Schilderijen die spottend de maatschappij beschouwen en zo dienst doen als een morele spiegel. De vraag alleen is of die morele spiegel serieus bedoeld is. Ook het volgende citaat maakt duidelijk - door de uitvergroting die hij toepast- dat Jacob de zaken niet ernstig neemt.

 

‘Het is hier thans zeer gevaarlijk om ten Huwelijks-aantekening te gaan: want zij hebben hier laatst een Bruid van haar Bruigoms zijde gerukt en in de boeijen gezet, en kort daarna is de Bruidegom naar het Verbeterhuis gebragt: en dat alles omdat hij eene oneerlijke Vrijster tot eene eerlijke getrouwde vrouw wilde maaken: dus wordt hier de deugd en ’t doen van goede werken vervolgd, en de voortteeling van ’t menschelijk geslacht belet.’

 

Het groteske, burleske vinden we ook in deze lezing over de lotgevallen van Hugo de Groot. Het is een verhaal waarin de overdrijving er dik op ligt. Jacob ging in 1772 zoals hij schrijft met een druk en luidruchtig gezelschap naar Gorinchem in eerste instantie om de waterloop van de rivieren Merwede, Maas en Waal te bekijken. Hij bezocht daar Martinus van Barnevelt, die zich bezig hield met de waterloopkundige problemen in dit rivierengebied. Later zou Jacob hierover nog samen met van Barnevelt een boekje met de titel ‘Rivierkundige waarnemingen, uit ondervinding opgemaakt’ schrijven (1773). Tijdens dit bezoek kwam hij echter bij ‘de vereeniging van twee beruchte stroomen’ ook oog in oog met Slot Loevesteijn. Jacob beleefde op dat moment een persoonlijke historische sensatie. Het uitgelaten gezelschap was niet in staat om Jacob ‘die anderszins lugtig en vrolijk van aart ben, te wederhouden van ernstige gedachten […]’ over de gevangenneming en de redding van Hugo de Groot ‘het grootste sieraad van ons Vaderland’. De verwarring in zijn denkbeelden wist hij later te schikken tot een lezing en ook bedacht hij een model van het gedenkstuk dat in de plaats van Slot Loevestein, het beruchte Staatsgevangenhuis, opgericht moest worden. Ook schaamte overviel Jacob, schaamte over de rol van zijn naneef Adriaen Ploos van Amstel bij de veroordeling van Hugo de Groot die ‘deezen plas wierdt overgebragt na eene ongeoorlooffde gevangenneeming, kwaade behandeling en nog onwettiger veroordeling van vooringenomen Rechters, onder welke naamen de Naneef met leedwezen en geduurig blozen die zijns Stamvaders somtijds zijnes ondanks lezen moet’. Adriaen Ploos van Amstel, in die tijd vertrouweling van prins Maurits, was als rechter van instructie en als rechter betrokken bij de veroordeling van Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot, Gilles van Ledenberg en Rombout Hoogerbeets. Over Adriaens rol schreef in 1639 Willem de Groot aan zijn broer Hugo

‘Dit mag ik echter niet vergeten. Gisteren, de 22ste maart is Ploos uit de levenden heengegaan, eens Uw rechter, dien het voldoende was Uw bevrijding uit Loevesteijn de volle achttien jaren te overleven; zelf herinnerde hij zich dat bloedige proces niet meer en de anderen wenste hij, voorzover zij zich nog iets daarvan herinneren, met Themistocles de kunst van het vergeten toe.’

 

Ruim een eeuw na het overlijden van Adriaen, zou dus Jacob Ploos in tegenstelling tot zijn naneef eerder patriot dan prinsgezind, in een redevoering voor het Amsterdamse genootschap Concordia et Libertate het voorstel doen om Slot Loevesteijn met de grond gelijk te maken en een mausoleum op te richten voor Hugo de Groot. Zijn lezing werd verlevendigd met een meegetroonde papieren maquette van de gedroomde gedenktempel. Het zou bij een vergankelijke papieren tempel blijven.

Ook typeert de schrijfster Betje Wolff haar vriend Jacob. Zij citeert in een brief aan Mr. Vollenhoven Cees Ploos (Jacobs broer Cornelis) ‘Juffrouw Wolff kan zo hartelijk lachen; mijn broer Jacob lacht veel; ik lach nooit’. Haar uitleg van deze woorden is dan: ‘Juffrouw W. is een malloot, Coo is een Gek, maar ik ben de wijsheid Salomons.’

Jacob was de zoon van Jacob Corneliszn. Ploos van Amstel (1693-1759) en Johanna Clementia Ploos van Amstel (1698-1777). Als je de familie Ploos van Amstel in takken zou splitsen zijn er twee hoofdtakken. De Plozen van de ene tak vestigden zich met name in Utrecht en ’s-Hertogenbosch, zij waren met name op het politieke en bestuurlijke vlak actief. Tot deze tak behoorde de bovengenoemde stamvader Adriaen Ploos van Amstel (heer van Tienhoven, ‘t Gein, Jutphaas, Oudegein, Lievendaal, Uthorst, Cudelstaart (1585 -1639). Hij was vertrouweling van stadhouder prins Maurits en later van Frederik Hendrik. Hij bewoog zich als matador in de Utrechtse politiek. Een typisch zeventiende-eeuwse regent stevig bouwend aan een eigen imperium prachtig geïllustreerd door zijn verschillende functies en titels. Hij was ridder in de Franse adelstand, ridder in de Orde van St. Michiel (1629), commandeur van Wemeldingen, advocaat voor het Provinciaal Hof van Utrecht, kanunnik ten Dom, fiscaal en stadhouder van de lenen en tijnzen van de proosdij van de Dom, thesaurier van de Dom, proost en aartsdiaken van St. Marie, ontvanger van Kampenland, geëli­geerd lid van de provinciale Staten, gecommitteer­de ter verga­dering van de Staten‑Generaal, gedelegeerde bij de Generaliteitsrekenkamer. En over wie Cornelis Ploos ook trots schrijft ‘hij heeft de Bijbel getekend’ ; namelijk als voorzitter van de Staten-Generaal tekende Adriaen de acte van autorisatie van de Statenvertaling van de Bijbel welke verklaring tot voor kort in de Statenbijbel werd afgedrukt. Adriaen wordt gerekend tot de rijksten van de Gouden Eeuw. De andere tak wordt gevormd door Plozen die vanuit Loosdrecht via Naarden en Weesp in Amsterdam terecht zijn gekomen. Jacob en zijn familie behoren tot deze laatste groep. Dit waren voornamelijk kooplieden en handelaren (in tabak, wijn, hout, blauwsel, ijzer, drogerijen), dominees en advocaten.

Vader Jacob Corneliszn. had een wijnkoperij te Amsterdam, zijn vrouw Johanna Clementia was zijn nicht, dochter van Oom Albertus, deze was eveneens wijnkoper maar dan te Weesp. Beiden waren van gereformeerde huize. Deze nauwe familieverwantschap veroorzaakte problemen bij het kerkelijk huwelijk, immers volgens het kerkelijk ondertrouwboek moest het paar verklaren dat ze ‘… en malkander in bloede niet en bestonden, waardoor een Christelijk Huwelijk mochte verhindert worden’. Zij trokken zich hier niet veel van aan: hun oudste zoon werd geboren zelfs voordat ze in ondertrouw waren. De kerkenraad te Weesp was hier vanzelfsprekend zeer ontstemd over en plaatste Johanna Clementia onder censuur en ontzegde haar de toegang tot het avondmaal. Intussen was het echtpaar weggetrokken en verhuisd naar Amsterdam ‘… en nadat zij aan de E. kerkeraat voldoening gegeven hadde kon zij ledemaat worden van de gereformeerde kerk’.

Jacob en Johanna Clementia zouden negen kinderen krijgen van wie zes kinderen binnen enkele weken na de geboorte zouden overlijden. Drie zonen groeiden op tot volwassenheid dit waren Cornelis (1726-1798), Adrianus (1729-1796) en Jacob (1735-1784).

De wijnhandel van vader Jacob te Amsterdam gelegen aan de Prinsengracht was niet erg lucratief. Zijn jaarinkomen was in 1742 volgens de quotisatie zo’n 600 gulden en hij kon beschikken over slechts één dienstbode. Het gezin werd later geteisterd door Vader Jacobs slechte gezondheid. Hij leed aan ‘de swakheid of verlamming in de beenen’ en werd ook geestelijk een zware beproeving voor zijn omgeving. Hij is vervallen tot swaare melancholij of hypochondrie’ en werd een gevaar voor zichzelf en ‘den geenen die bij hem zijn ten uijterste gevaarlijk zijn’ en ‘tragtende zig zelve te kwetsen en bezeren en anderen die hem zulks wilde belettten ook ongemak toe te brengen daarinne niet ontziende zijn vrouw nog kinderen’. Dit speelde halverwege de jaren vijftig van die eeuw, dus toen zoon Jacob begin twintig was. Regelmatig moesten hij en zijn broers Cornelis en Adrianus op hun vader passen. De maatregelen om hem toen het niet meer ging in een verpleeginrichting onder te brengen bleken uiteindelijk niet nodig. In 1759 overleed Jacob op 65-jarige leeftijd. Zijn vrouw Johanna Clementia zal vanaf dat moment met voortvarendheid de wijnkoperij samen met haar zoon Adrianus voortzetten.

De oudste en bekendste zoon was Cornelis. Cornelis en Jacob hebben veel gemeenschappelijk; de liefde voor de kunsten en wetenschap, de betrokkenheid bij genootschappen. Zelfs de schoonfamilie deelden ze; beiden trouwden een dochter van de kunstschilder Cornelis Troost. Cornelis Ploos ontwikkelde zich in de jaren vijftig tot succesvol houthandelaar en makelaar en later tot regent, dilettant, etser, directeur van de Stadstekenacademie, directeur Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, lid Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, hoogleraar Kurfürstlichen Mahler-, Bilder- und Baukunstakademie te Düsseldorf. Cornelis kan beschouwd worden als een van de belangrijkste kunstverzamelaars van Nederland uit die eeuw met een verzameling van ruim 7.500 tekeningen van Nederlandse en buitenlandse kunstenaars, naast schilderijen, beelden , instrumenten enz. Al vanaf zijn veertiende was hij bezig met verzamelen ‘Een Voortreffelyke Liefhebberye’ zoals hij zelf zei. ‘Door het verzaamelen van alle deeze Kunstwerken, kreeg ik kennis zints de Jaaren 1740 aan de grootste kunstenaars’. ‘ Ik verzamelde een precieus Kabinet van meer dan 3000 Teekeningen, door Italiaansche, Spaansche, Fransche en Nederlandsche Meesters zo gekleurd als ongekleurd, gelyk ook de besten prenten, als de werken van de Italiaanen door Marc Anthoon en anderen, die van H.Goltzius en Ab.Bloemaert, alle de eigen gegraveerde Printen door Rembrand van Rhyn, van Corn Visscher, N.Berchem, Ad: van de Velden en anderen– alle uitmuntend van druk en condition. Liggende de Teekeningen en prenten alle in Kostbaaren banden, zynde meer dan 100 stuks zo Boeken als omslagen, Marokyn of Turks of rus Leer en fransche banden, alles even net gemonteerd. Myn Liefhebbery viel ook op het byeen zamelen van Edele Antieken Steenen, Mathem.Inst. enzv…..’. Hij vervulde een unieke rol als uitgever van prenten en als ‘uitvinder van het plaatdrukken der tekeningen’ die hij in kleur in verschillende staten drukte volgens een zelf ontwikkelde methode. Hij trouwde met Elisabeth Troost. Ze kregen geen kinderen. Zijn belastbaar vermogen bedroeg bij zijn overlijden in 1798 225.000 gulden.

Over Adrianus is niet zo veel bekend. Hij hield zich samen met zijn moeder met name bezig met de wijnkoperij. Met broer Jacob was hij als firmant en administrateur verbonden aan de Lettergieterij Gebroeders Ploos van Amstel. Als moeder Johanna Clementia in 1777 overlijdt wordt de wijnkoperij aan Adrianus toegewezen. De Lettergieterij gaat in zijn geheel over naar Jacob. Bij zijn overlijden in 1796 wordt de waarde van zijn effecten geschat op 35.000 gulden.

Jacob wordt op 27 april 1735 als derde en jongste zoon te Amsterdam geboren. Op 5 februari 1752 schrijft hij zich in aan de Hogeschool Franeker voor de studie medicijnen. In september 1755 zet hij de studie voort in Leiden om in 1758 te promoveren op het proefschrift ‘De Paronychia’ over de ontsteking van de nagelriem. In hetzelfde jaar wordt Jacob opgenomen in het Collegium Medicum te Amsterdam. Dit is ook ongeveer het laatste wat bekend is over de geneeskundige loopbaan van Jacob. Hij had te veel andere interesses zodat de geneeskunde al snel naar de achtergrond verdween.

Hij ziet in zijn wegdrijven van de geneeskunde en het opgaan in het culturele leven de hand van de Voorzienigheid. In zijn brief ‘Aan den Wel Edelen en zeer Geleerden Heeren van ‘t Zeeuwsche Genootschap der Wetenschappen’ schrijft hij:

 

Indien liefde tot Geleerdheid en hoog-achting van haare Beoefenaaren, voorrechten zijn om deelgenoot van Uwe Maatschappij te worden, hebt gij met recht tot Lid van dezelve aangenomen een, die zich beroemen durft, reets van zijne vroege jeugd af zucht tot Kunsten en Weetenschappen gehad, en haare Bezitters eerbied toegedraagen te hebben. Doch, indien waare en beproefde vermogens van kundigheid (gelijk uit de vierde Wet van ’t Genootschap is op te maaken), de vereischtens zijn, welke uwe keuze bepaalen omtrend het verkiezen van hen, die gij, Wel Edele Heeren, wilt doen helpen aan den opbouw van uwen Tempel van Minerva, dan heb ik rede om te geloven dat de eer, mij door ulieden aangedaan kwaalijk geplaatst is en een ander zou toebehooren. -----Niet dat een schandelijke vadzigheid mijne krachten onbeproefd en mij werkloos laat blijven; integendeel: de tijd, die mij, schoon tot de Geneeskunde opgeleid en ’t onverwachtst geplaatst heeft, en waaruit ik mijn bestaan hebben moet, wordt meestal de Zanggodinnen toegewijd, en ik ondervinde nu en dan, dat zij niet ten eene maale mij ongenstig zijn en haaten.’

 

Noch in de enkele brieven die bewaard zijn gebleven noch in de lezingen rept hij over zijn werk als praktiserend arts. Wel verhaalt hij in een brief aan dezelfde van Beyma gedateerd december 1762 dat zijn deskundige advies gevraagd wordt door een advocaat. Het handelt over het toedienen door een Duitse Confrater van grote hoeveelheden Mercurius Sublimatus, het braakmiddel Oleum Nucis Mesekatoe en het slaapmiddel Laudanum Liquidum. Hij lijkt de affaire eerder als amusement te zien en beschrijft dan ook smeuïg de details. Mochten ze in het saaie Friesland bij gebrek aan nieuws ’rijpe geesten’ willen ‘die het een of ander tot amusement van ’t gemeen verzinne(n): .., op een tractement van 1000 dukaaten, ik hou mijn persoon gerecommandeert’, beveelt Jacob zichzelf aan en ‘zal den geheele dag liegen alleen om mijne broodwinning voor te staan’.

In dezelfde brief laat hij ook zien hoe hij denkt over hoogwaardigheidsbekleders. Hij voelt zich niet gedwongen om de zwager van Willem V te gaan zien

Ook moet ik UHWGeb. Verwittigen, dat de Amsterdammers inzonderheit met het bezoek van den Prins van Weilburg in hun schik geweest zijn: zij hebben als gek geloopen, en toen hij in de Schouwburg zou gaan, was het ’s middags voor drie uuren zo vol op de Keizersgracht, dat zelfs al de boomen vol volks zaten, en de Regeering de Soldaaten in de wapenen lieten komen om ruim ban te maaken, ’t geen hier eene zeer zeltzaame zaak is: zij zijn ook in de voornaamste speelhuizen rond geweest, en hebben de Hoeren laaten danssen, voor welke ik eer ik denk dat de Hoeren een dankadres aan hen gedaan hebben, zowel als in Engeland het laager huis aan den Koning. Ik heb geen moeite gedaan om den Prins te zien, want ik ben zo dikwijls in den Haag geweest zonder dat hij moeite gedaan heeft om mij te zien, en ondertusschen is hij de eerste Prins van Weilburg niet, daar ik na de Schepping de eerste Doctor Ploos van Amstel ben.

 

Jacob had dus een heel andere en minder gelijkmatige carrière dan die van zijn broers. Een leven dat eerder gekenmerkt wordt door het volgen van passies. Jacob dichtte, vertaalde en hield lezingen over zeer uiteenlopende zaken. Hij interesseerde zich eigenlijk voor ongeveer alles wat passeerde. Toch gedreven door zijn liefde voor de boekdrukkunst, ging uiteindelijk de meeste aandacht naar de lettergieterij Gebrs. Ploos van Amstel. Blijkbaar hadden Jacob en Cornelis geen hoge dunk van de wijze van boekdrukken in die tijd en namen het heft in eigen hand.

In 1763 werd hiertoe de eerste stap gezet door aankoop van de lettergieterij van Martin Weijer, niet veel later volgde die van Jan Leonard Pfeiffer. De aankopen werden betaald o.a uit  nalatenschappen van familieleden van Jacob. Moeder Johanna Clementia is de commanditaire vennoot, Adrianus en Jacob zijn de beherende vennoten. Adrianus doet de administratie,

Jacob is de stuwende kracht. Jacob geboeid als hij is door het vak, gaat zich zetten aan een Volledige Beschrijving van de oefening der Boekdrukkunst en de daartoe behoorende Kunst van het Letter-gieten’. ‘Wij zoeken te handhaven en te koesteren, ja zoveel mogelijk zij te doen aanwasschen en langs hoe meer te beschaaven eene Kunst, bij onze Voorvaderen geteeld waren wij, die altoos Liefhebbers zijn geweest om nutte Boeken fraai gedrukt te zien,…’. In 1767 wordt het boek aangekondigd. Honderden belangstellenden tekenen in maar tot een uitgave zal het niet komen.

De lettergieterij is eerst gelegen aan de Prinsengracht bij de Bloemgracht en wordt genoodzaakt door de groei in 1773 verhuisd naar de Keizersgracht (nu nr. 407). Hier worden de lettergietersfornuizen op zolder geplaatst. De buren zullen ongetwijfeld wat ongerust hebben toegekeken naar deze activiteit aan hun Keizersgracht.

Het huis krijgt de naam ‘De Lettergieterij’. In hetzelfde pand wordt ook de wijnkoperij van Adrianus ondergebracht. Als in 1777 moeder Johanna Clementia overlijdt zit onder andere in haar boedel ‘de Fabricq van Lettergieten onder de naam Gebroeders Ploos van Amstel, de negotie in wijnen en het huis ‘De Lettergieterij’’. De lettergieterij wordt door broer Adrianus afgestaan aan Jacob evenals het huis aan de Keizersgracht. Jacob is enigszins overbedeeld en moet daarom nog geld lenen om zijn te grote aandeel in de erfenis van zijn moeder terug te betalen aan zijn broer Cornelis. Een jaar later trouwt Jacob op 42-jarige leeftijd met de inmiddels 46-jarige kunstenares Sara Troost dochter van Cornelis Troost

De lettergieterij Gebrs. Ploos van Amstel zal in 1784 kort na het overlijden van Jacob door zijn vrouw Sara Troost verkocht worden. Uiteindelijk komt zij in handen van de Haarlemse lettergieterij- en drukkersbedrijf Joh. Enschedé & Zn., met wie de gebroeders al eerder samen zaken deden bij het opkopen van lettergieterijen.

Jacob was met zijn broer Cornelis prominent aanwezig in het sociale en culturele leven van Amsterdam in de tweede helft van de 18de eeuw. De 18de eeuw was ook de eeuw waarin de genootschappen op het gebied van kunst, taal en wetenschappen tot grote bloei kwamen. Het is dan ook niet onverwacht zowel Jacob als Cornelis in de namenlijsten van deze genootschappen terug te vinden. De broers behoorden o.a. tot de oprichters van het genootschap Diligentiae Omnia in 1766. In 1770 wordt Jacob lid van het oudere genootschap Concordia et Libertate dat in 1748 opgericht is. Hij neemt in een brief afscheid van Diligentiae Omnia en vraagt of er nog boetes openstaan vanwege verzuim bij een aantal bijeenkomsten. In 1771 wordt hij voor een jaar tot assessor van Concordia et Libertate benoemd. Echt afscheid van Diligentiae Omnia neemt Jacob echter niet. In 1771 ondertekent hij nog het verzoek voor de oprichting van het gedenkteken voor Vondel in de Nieuwe Kerk. Een redevoering hierover houdt hij voor Concordia et Libertate in 1772. In 1777 wordt Jacob samen met broer Cornelis gevraagd zich aan te sluiten bij De Bataafsche Maatschappij der Edele Verdiensten, De Algemene Broederschap der Vrije Konstgenooten; met zinspreuk Felix Meritis. De beide broers hielden voor de verschillende genootschappen lezingen over uiteenlopende onderwerpen. Om bij Jacob te blijven: Verschillende vertogen over de Dichtkunde van 2 Horatius Flaccus,(vanaf 1767, Diligentiae Omnia), Aanmerkingen over het Gebruik der Zin Scheijdingen en het invoeren van eenige Nieuwe (1768, Diligentiae Omnia), De Beschouwing der Zonne (1771, Concordia et Libertate), De Vorming der Spraak als een noodzakelijk gevolg van het maaksel der Spraakkunst en dus geen vinding van ’t menselijk vernuft (1771, Concordia et Libertate), De geneeskunde voortreffelijker dan de rechtsgeleerdheid (1771, Concordia et Libertate), Redenvoering voor ’t oprichten van een gedenkteken aan Joost van Vondel (1772, Concordia et Libertate), Over de Natuur van het Licht (1773, Concordia et Libertate), Het uitmuntend Karakter en de zonderlinge lotgevallen van Hugo de Groot (1773 en 1774 , Concordia et Libertate).

Naast deze voordrachten werkte Jacob zoals eerder genoemd aan ‘de Volledige beschrijving van de Oefening der Boekdrukkunst en de daartoe behoorende Kunst van Lettergieten’ (1765) en bezorgde hij de vertaling uit het Frans van het boek ‘Aanleiding tot de uiterlijke welsprekendheid op de kansel, voor de balie, in ’t bijzonder leezen, doch voornaamlijk op het tooneel’ (1765). Deze uitgave werd opgedragen aan burgemeester Mr. Jonas Witsen (‘Leef Burgervader, leef dan tot behoudenis Des Amstelaars, die nooit genoeg uw ‘Stam zal roemen, Maar hen den Steun en’t Schild der Weetenschappen noemen’).

Ook had Jacob als een man van de Verlichting evenals zijn broer Cornelis, belangstelling voor de natuurwetenschap. Vader Jacob volgde al als toehoorder de natuurkundige colleges van Daniel Gabriel Fahrenheit te Leiden. Zoon Jacob vertaalde in het Nederduits en met aanmerkingen verrijkt de Gronden der Sterrenkunde gelegd in het zonnestelzel van George Adams (1771). Van J.Priestley vertaalde hij ‘Proeven en waarnemingen op verschillende soorten van lucht (1778-1781).

Tenslotte wilde Jacob een volledig woordenboek der Nederlandse taal samenstellen. Dit voorstel doet hij in april 1770 aan de Heeren van ’t Zeeuwsch Genootschap: Over welk laatste ik mine gedachten meermalen liet gaan. Doch tot het vervaardigen daarvan te veele zwaarigheden vond, voornaamlijk voor een mensch alleen; want behalven de verdrietelijkheid van ’t Werk, zou ‘er niemand te vinden weezen, wiens tijd en kostwinning, zo hij de bekwaamheeden al hadt, toelieten, dat hij eene zo wijd uitgestrekte onderneeming ter uitvoer bragt’. Vervolgens doet Jacob een voorstel hoe de taken verdeeld zouden kunnen worden: ‘Indien ‘er dus maar van twintig Leden tien woorden ’s weeklijks wierden ingeleverd, bedroeg het 200, ’ t geen in een jaar een groot gedeelte der taal uitmaakte’. Ook dit plan voor een woordenboek werd net als de papieren droom van de gedenktempel voor Hugo de Groot en de Volledige Beschrijving van de Boekdrukkunst jammer genoeg geen werkelijkheid.

Op 22 juni 1784 om half elf in de morgen, overlijdt Jacob in zijn geliefde huis ‘De Lettergieterij’. Hij wordt begraven op 26 juni in de Waalse kerk. Bij Hugo de Groots voetstuk had Jacob Vondels versje gedacht Twee kisten bergden Huig de Groot. De een levendig, maar de ander dood’.

Op Jacobs graf zou kunnen staan ‘Een kist bergt van Jacob Ploos het meest. Hij leefde voor de letter, maar meer nog naar de geest’.

 

Verantwoording van bronnen

Deze schets van het leven van Jacob Ploos van Amstel (1735-1784) is sterk schatplichtig aan G. Ploos van Amstel. Portret van een koopman en uitvinder. Cornelis Ploos van Amstel, Assen 1980 en de stukken aanwezig in het familiearchief Ploos van Amstel te Gouda. Voor de citaten uit de brieven van Jacob aan de Friese vriend, waarschijnlijk Julius Matthijs van Beyma, kan verwezen worden naar Tresoar, Histoarysk en Letterkundich Sintrum foar Fryslân. Familie van Beyma thoe Kingma. Brieven nr 1321 Ploos van Amstel 1760, 1762. De brief van Jacob aan het Zeeuws Genootschap bevindt zich in Zeeuws Archief, Inventaris Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW). Ook is gebruikgemaakt van Th. H. von der Dunk. Een Hollands heiligdom. De moeizame architectonische eenwording van Nederland, Amsterdam 2007, waarin wordt ingegaan op het leven van Jacob en de lezing over Hugo de Groot. Voor de geschiedenis van de Utrechtse tak kan verwezen worden naar G.Ploos van Amstel. Unde venis, Ploos van Amstel? Verdichtsel en waarheid over een afstamming. De Nederlandsche Leeuw 7 (1990) pp. 178-283 en J.J.A.Ploos van Amstel. Adriaen Ploos van Amstel, 1585-1639. Levenschets van een 17de eeuw politicus. Jaarboek Oud Utrecht 1980 pp. 43-94. Het citaat van Willem de Groot is uit brief 4030, P.C. Molhuysen, Briefwisseling van Hugo Grotius. Den Haag, 1928. Met betrekking tot de Lettergieterij Gebroeders Ploos van Amstel kan verwezen worden naar F.A. Janssen. Ploos van Amstel’s description of type founding. Quaerendo 20 (1990) pp. 96-110 en J.A. Lane, M. Lommen. Letterproeven van Nederlandse gieterijen. Amsterdam 1998. Over Jacob en Cornelis Ploos van Amstel en de genootschappen wordt ingegaan in M. de Vries. Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800. Nijmegen 2001.

Voorwoord bij de uitgave Een tempel voor Hugo de Groot, Florivallis, Amersfoort, 2010

De Groot, De Groot is oorzaak van mijn schrijven.

Die Letterheld,

Die God- en Rechtsgeleerde.

 

Met deze dichtregels zet Jacob Ploos van Amstel de toon van zijn bewondering voor Hugo de Groot in een lezing die hij hield in 1774 voor het genootschap Concordia et Libertate. Het is een geestige hagiografie in bloemrijke taal op Hugo de Groot. De voordracht culmineert in een uitvoerige beschrijving van een gedenktempel die Jacob wilde oprichten ter ere van de rechtsgeleerde. De tempel, naar ontwerp van de Amsterdamse architect Jacob Husly, is een neoclassicistische rondtempel van uitzonderlijke proporties met een hoogte van 50 meter, versierd met beelden en omgeven door obelisken. Dit monument zou moeten verschijnen aan de oever van de Waal op de plek van Slot Loevestein waar Hugo de Groot gevangen werd gezet en uit is ontsnapt verscholen in een boekenkist. Deze vermaledijde staatsgevangenis zou met de grond gelijk gemaakt moeten worden om plaats te maken voor het mausoleum. Van de gedenktempel liet Ploos door Jacob Voerman een papieren maquette maken. Deze papieren tempel troonde Jacob mee langs de Amsterdamse grachten op weg naar het gezelschap om zijn lezing mee te verlevendigen en de toehoorders te vermaken. De bewondering voor Hugo de Groot en de oprichting van de tempel kunnen opgevat worden als een uitdrukking van patriotisme door de staatsgezinden in die tijd,  een teruggrijpen naar de normen en waarden van de Gouden Eeuw.

Het Hugo de Grootjaar 2009 gehouden ter ere van het verschijnen van zijn Mare Liberum in 1609 vormde de aanleiding om deze lezing opnieuw uit te geven door Florivallis te Amersfoort. De originele tekst wordt gevolgd door een levensbeschrijving van Jacob Ploos van Amstel (1735-1784) door zijn naneef Hans Kristian Ploos van Amstel (zie hieronder). Freek Schmidt plaatst het ontwerp van de tempel binnen de opvatting van de architectuur in die tijd. Thomas von der Dunk schetst het Amsterdamse genootschapsleven in de achttiende eeuw en hoe Jacob Ploos zich daarin bewoog. Naast de lezing ter ere van Hugo de Groot, hield Jacob Ploos eerder in 1772 ook een lezing ter herdenking van een ander groot vaderlander de dichter Joost van de Vondel. Voor Vondel zou wel een gedenkteken opgericht worden zij het van aanzienlijk bescheidener omvang. Het werd naar ontwerp van Jacobs broer Cornelis, een plaquette in de Nieuwe Kerk. Jan Bloemendal gaat in op de relatie van deze Vondelherdenking met de waardering voor de Groot. Tenslotte beschrijft Henk Nellen hoe de reputatie van Hugo de Groot zich in de eeuwen heeft ontwikkeld en zijn gedachtegoed ook nu nog van grote waarde is.

De papieren maquette heeft de eeuwen niet overleefd en is tot stof vergaan. Met de tekening en vignetten van Joost Veerkamp kunnen we nu na tweehonderd jaar een indruk krijgen hoe Jacob Ploos van Amstel de tempel voor Hugo de Groot gedroomd had.

Hans Kristian Ploos van Amstel en Jan Bloemendal

 

Een Tempel voor Hugo de Groot. Tekeningen door Joost Veerkamp, 2010

Een tempel voor Hugo de Groot

Vondelmonument in de Nieuwe Kerk Amsterdam. Het ontwerp is van Cornelis Ploos van Amstel. Tekening door HP Schouten 1795. Collectie Atlas Splitgerber. Onder foto 2019 JKPvA.

Details van Groepsportret Gezin Jacob sr. Ploos van Amstel door Jacob Buijs  Gedateerd: 1756. Groot Constantia, Zuid-Afrika